Relaties tussen objecten

Relaties tussen objecten

Relaties tussen objecten

Het informatiemodel ondersteunt in zeer beperkte mate relaties tussen objecten.

Een voorbeeld van een gewenste relatie is de koppeling tussen AbestandBijlage en Akunstwerk, zodat het diepteprofiel van een gestuurde boring gekoppeld kan worden aan de boring zelf.

Het vastleggen van relaties brengt echter verschillende complicaties met zich mee. Objecten die nieuw worden getekend in CAD beschikken niet over een unieke identificatie vanuit GIS, maar alleen over een zogenaamde Handle. Daarnaast is voor het vastleggen van relaties extra functionaliteit nodig, daarnaast zijn CAD-gebruikers niet gewend om relaties tussen objecten te documenteren.

Om deze redenen wordt terughoudend omgegaan met het opnemen van relaties in het model.

Vanaf versie 12 van het informatiemodel heeft elk object een ID die binnen het bestand uniek moet zijn. Dit attribuut heet ID. Dit maakt het mogelijk om in beperkte mate relaties vast te leggen.

Het huidige informatiemodel ondersteunt de volgende relaties:

  • Kabels, leidingen en mantelbuizen die zich bevinden in een mantelbuis, kunstwerk of aanlegtechniek worden gekoppeld via AmantelbuisInhoud, waarbij het attribuut ID als verbindend element wordt gebruikt.

  • Kabels (LS, MS en HS) en bijbehorende moffen worden aan elkaar gekoppeld via een overeenkomstig Verbindingnummer.

  • Voor diverse KB-objecten wordt samenhang binnen hetzelfde netwerk vastgelegd met de attributen KBnet en KBsectie.

  • De relatie tussen Aaanlegtechniek en InUittredepunt wordt gelegd via het ID van de aanlegtechniek dat wordt opgenomen bij het in- en uittredepunt.

 

Kabel/leiding in mantelbuis

Binnen het informatiemodel worden kabels en leidingen die zich in een mantelbuis bevinden als afzonderlijke objecten vastgelegd. Dit betekent dat zowel de kabel of leiding als de mantelbuis zelfstandig worden geregistreerd, terwijl in het kaartbeeld zichtbaar moet zijn welke kabels of leidingen zich in welke mantelbuis bevinden (zie afbeelding 1). Deze informatie wordt daarnaast ook in de attribuutinformatie vastgelegd.

In het kaartbeeld wordt dit zichtbaar gemaakt door middel van een gestapeld bijschrift, waarin de inhoud van de mantelbuis wordt weergegeven (zie Figuur 1).

Rel1.png

Figuur 1: Voorbeeld van gestapeld bijschrift voor kabels en leidingen in een mantelbuis

Voor de software betekent dit dat functionaliteit nodig is om een gestapeld bijschrift te genereren en te beheren. Daarbij moet het mogelijk zijn om kabels en leidingen handmatig in of uit een mantelbuis te plaatsen, bijvoorbeeld door vanuit de mantelbuis de bijbehorende objecten te selecteren op type en identificatie.

Binnen NLCS bestaat al het concept van een wenstracé, zoals beschreven in de formele beschrijving van NLCS 5.0, paragraaf 4.6.6 lid e. Daarbij mogen diverse kabels die naast elkaar worden gepland, worden weergegeven met één lijn en één aanpijling, waarbij een lijst van kabels wordt vermeld. Aanpijling en lijst moeten daarbij worden weergegeven zoals in het voorbeeld (zie Figuur 2 en Figuur 3).

Dit object zou uitgebreid kunnen worden met de mogelijkheid om door middel van inspringen zichtbaar te maken dat een kabel of leiding zich in een mantelbuis bevindt. Deze informatie is optioneel en dus niet verplicht, omdat niet elke beheerder deze informatie beschikbaar heeft, bijvoorbeeld in het geval van reserve mantelbuizen.

Rel2.png

Figuur 2: Voorbeeld van weergave van kabels en leidingen in relatie tot een mantelbuis

Rel3.png

Figuur 3: Voorbeeld van een wenstracé volgens NLCS 5.0, paragraaf 4.6.6 lid e

 

Kabel/leiding in mantelbuis: grafisch en alfanumeriek

De relatie tussen kabels/leidingen en een mantelbuis wordt zowel grafisch in het kaartbeeld als alfanumeriek in de data vastgelegd. Hiermee wordt geborgd dat de inhoud van een mantelbuis eenduidig zichtbaar en herleidbaar is.

Grafisch wordt dit weergegeven door middel van een gestapeld bijschrift, waarin zichtbaar is welke kabels en leidingen zich in de mantelbuis bevinden. Alfanumeriek wordt deze relatie vastgelegd via het object AmantelbuisInhoud, waarbij de koppeling tussen mantelbuis en inhoud plaatsvindt op basis van het attribuut Mantelbuis ID (zie Figuur 4).

Rel4.png

Figuur 4: Voorbeeld van grafische en alfanumerieke vastlegging van kabels en leidingen in een mantelbuis met behulp van AmantelbuisInhoud

Voor het vastleggen van deze relatie is specifieke tekenfunctionaliteit benodigd. De gebruiker tekent eerst de mantelbuis en de bijbehorende kabels en leidingen. Vervolgens kan de functie "Kabel in Mantelbuis" worden geselecteerd om deze objecten aan elkaar te koppelen. Deze functie vraagt de gebruiker om de relevante objecten te selecteren en biedt deze aan in een overzicht, waarin kan worden vastgelegd welke kabels en leidingen zich in de mantelbuis bevinden, door middel van een drag-and-drop functionaliteit.

Na vastlegging wordt de structuur opgeslagen in de alfanumerieke data en wordt het bijbehorende gestapelde bijschrift automatisch in het kaartbeeld geplaatst. De gebruiker kan de positie van dit bijschrift desgewenst aanpassen. Daarnaast is het noodzakelijk dat deze relaties kunnen worden aangepast of bijgewerkt, bijvoorbeeld bij wijzigingen in status.

In de XML-structuur is voor de gekoppelde mantelbuis/kabel/leiding vastgelegd via het koppelattribuut ID. Dit is noodzakelijk omdat nieuw getekende objecten nog geen unieke identificatie vanuit GIS hebben.

Wanneer een mantelbuis, kabel of leiding wordt verwijderd (NLCS-status = V), moeten de bijbehorende bijschriften worden opgeschoond.

Voor de weergave van deze bijschriften worden specifieke NLCS-laagnamen gebruikt, zoals B-OI-KL-ET-T18, B-OI-KL-GAS-T18 of B-OI-KL-T18.

 

Kabel in mantelbuis: eenfasekabels

Voor de registratie van eenfasekabels hanteren netbeheerders momenteel verschillende richtlijnen. Het informatiemodel ondersteunt daarom zowel afzonderlijke 1-fasekabels als configuraties waarbij 3x1-fasekabels gezamenlijk worden toegepast.

Op termijn is het wenselijk om 3x1-fasekabels die in driehoeksvorm zijn gelegd als één lijn te kunnen registreren, en drie losse 1-fasekabels als afzonderlijke objecten blijven bestaan.

De voorkeurswerkwijze is dat, wanneer meerdere mantelbuizen aanwezig zijn (bijvoorbeeld één per fase), de 1-fasekabels afzonderlijk worden getekend, zodat elke kabel in een eigen buis kan worden geplaatst.