Uitwerking Use Cases in het model

Uitwerking Use Cases in het model

Case 1: Netuitbreiding in het LS-net

Situatie
In deze case wordt een netuitbreiding gerealiseerd vanuit een bestaand middenspanningsstation (MS-station). Het station beschikt reeds over een ingaande en uitgaande MS-kabel. Vanuit dit station wordt een nieuwe laagspanningskabel (LS) aangelegd om het netwerk uit te breiden. De situatie is schematisch weergegeven in Figuur 1.

Uitwerking in het model
In de ontwerptekening worden de nieuwe onderdelen vastgelegd met de status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN en bewerking IG NEMEN.

Allereerst wordt een nieuwe LS-kabel gemodelleerd vanaf het bestaande station, met verbindingnummer CND1200-00. Vervolgens wordt op deze kabel een aftakking gerealiseerd, waaraan een tweede LS-kabel wordt gekoppeld met verbindingnummer CND1200-01. Aan het uiteinde van beide nieuwe LS-kabels wordt een eindmof geplaatst, waarmee het einde van de kabels wordt gemodelleerd.

Aandachtspunten
Het correct toekennen van verbindingnummers en statussen is essentieel om de samenhang tussen de nieuwe kabels en het bestaande netwerk te waarborgen. Daarnaast zorgt het gebruik van eindmoffen ervoor dat de kabels eenduidig worden afgesloten binnen het model.

Uit01.png

Figuur 1: Schematische weergave van een netuitbreiding in het LS-net vanuit een bestaand MS-station.

Case 2: Eigen richting in het  LS-net

Situatie
In deze case wordt vanuit een bestaand middenspanningsstation (MS-station) een nieuwe laagspanningskabel (LS) aangelegd. Het station beschikt over een ingaande en uitgaande MS-kabel. Aan het uiteinde van de nieuwe LS-kabel wordt een overdrachtspunt gerealiseerd waarbij sprake is van een eigen richting. De situatie is schematisch weergegeven in Figuur 2.

Uitwerking in het model
In de ontwerptekening worden de nieuwe objecten vastgelegd met de status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN en bewerking IG NEMEN.

Vanaf het station wordt een nieuwe LS-kabel gemodelleerd met verbindingnummer CND1300-00. Aan het uiteinde van deze kabel wordt een LS-overdrachtspunt geplaatst. Dit overdrachtspunt krijgt de functie Bedrijf en het attribuut EigenRichting wordt ingesteld op Ja.

Aandachtspunten
Het correct vastleggen van het attribuut EigenRichting is van belang voor de interpretatie van de netstructuur en de richting van energiestromen binnen het netwerk.

Uit02.png

Figuur 2: Schematische weergave van een LS-aansluiting met overdrachtspunt met eigen richting.

Use case 3: Verzwaring LS

Scenario 1: Vervangen van een LS-distributiekabel met behoud van aansluitingen

Situatie
In deze case wordt een bestaande laagspanningskabel (LS) met daarop aangesloten huisaansluitingen vervangen door een nieuwe kabel met grotere capaciteit. De bestaande aansluitingen blijven behouden, maar worden overgezet op de nieuwe kabel. De situatie vóór, tijdens en na uitvoering is schematisch weergegeven in Figuur 3.

Uitwerking in het model
In de ontwerptekening wordt de bestaande LS-kabel, inclusief de aanwezige moffen, vastgelegd met de status BESTAAND, bedrijfstoestand IN BEDRIJF en bewerking TE VERWIJDEREN.

Vervolgens wordt een nieuwe LS-distributiekabel gemodelleerd met een grotere capaciteit. Deze kabel krijgt de status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN en bewerking IG NEMEN. De nieuwe kabel wordt parallel aan de bestaande kabel gelegd en behoudt hetzelfde verbindingnummer (CND1400-00), aangezien het functioneel om dezelfde verbinding gaat.

De bestaande huisaansluitingen worden vervolgens overgezet op de nieuwe kabel. Hiervoor wordt elke aansluitkabel doorgeknipt op korte afstand van de nieuwe kabel. Het afgeknipte deel wordt vastgelegd met de bewerking TE VERWIJDEREN.

Daarna wordt een nieuwe verbindingsmof geplaatst, samen met een nieuw stuk aansluitkabel dat de verbinding maakt met de nieuwe LS-distributiekabel. Deze nieuwe onderdelen krijgen de status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN en bewerking IG NEMEN.

Het deel van de aansluitkabel dat behouden blijft, krijgt de status REVISIE, omdat de ligging en aansluiting gewijzigd zijn ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.

Aandachtspunten
Het correct modelleren van de overgang van oude naar nieuwe situatie is essentieel om inconsistenties te voorkomen. Met name het onderscheid tussen te verwijderen delen, nieuwe onderdelen en aangepaste bestaande kabeldelen vraagt om nauwkeurige toepassing van statussen en bewerkingen. Daarnaast is het behoud van het verbindingnummer van belang om de functionele continuïteit van de verbinding te waarborgen.

Uit03.png

Figuur 3: Vervanging van een LS-distributiekabel met overzetting van bestaande huisaansluitingen (voor-, ontwerp- en eindsituatie).

Use case 3: Verzwaring LS

Scenario 2: Splitsen van een LS-kabel en toevoegen van een nieuw station

Situatie
In deze case wordt voortgebouwd op de vorige situatie, waarbij de bestaande laagspanningskabel (LS) met daarop aangesloten huisaansluitingen verder wordt aangepast. De kabel wordt halverwege gesplitst en aan het uiteinde wordt een nieuw station toegevoegd. De situatie vóór, tijdens en na uitvoering is schematisch weergegeven in Figuur 4.

Uitwerking in het model
In de ontwerptekening wordt de bestaande LS-kabel halverwege gesplitst. De twee resulterende kabeldelen krijgen beide de status REVISIE, aangezien de bestaande situatie wordt aangepast zonder dat de kabel volledig wordt vervangen.

Op het punt van splitsing worden nieuwe eindmoffen geplaatst. Deze krijgen de status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN en bewerking IG NEMEN. Tegelijkertijd wordt de bestaande eindmof op deze locatie vastgelegd met de status BESTAAND, bedrijfstoestand IN BEDRIJF en bewerking TE VERWIJDEREN.

Aan het uiteinde van het kabeldeel dat het verst van het oorspronkelijke station ligt, wordt een nieuw MS station geplaatst. Dit station krijgt de status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN en bewerking IG NEMEN.

Als gevolg van deze uitbreiding krijgt het betreffende kabeldeel een nieuw verbindingnummer (CND1500-00). De bijbehorende moffen op dit kabeldeel nemen dit nieuwe verbindingnummer over, zodat de samenhang binnen deze nieuwe verbinding behouden blijft. Het kabeldeel dat verbonden blijft met het oorspronkelijke station behoudt het bestaande verbindingnummer (CND1400-00).

Aandachtspunten
Het correct modelleren van de splitsing is essentieel om de overgang van één naar twee afzonderlijke verbindingen goed vast te leggen. Daarbij is het belangrijk dat verbindingnummers consistent worden toegepast en dat onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande, aangepaste en nieuwe onderdelen. Ook het correct registreren van te verwijderen objecten, zoals oude eindmoffen, voorkomt inconsistenties in de verdere verwerking van de data.

Uit04.png

Figuur 4: Splitsing van een LS-kabel met toevoeging van een nieuw station en herverdeling van verbindingnummers.

Use case 3: Verzwaring LS

Scenario 3: Vervangen van gesplitste LS-kabel door zwaardere kabel

Situatie

De bestaande situatie uit scenario 2 wordt in deze stap verder aangepast door de gesplitste kabeldelen te vervangen door één nieuwe kabel met grotere capaciteit. De situatie vóór, tijdens en na uitvoering is schematisch weergegeven in Figuur 5.
De startsituatie bestaat uit een gesplitste LS-kabel met huisaansluitingen, zoals ontstaan in scenario 2.

Uitwerking in het model
De bestaande kabeldelen worden verwijderd door deze te registreren met status BESTAAND, bedrijfstoestand IN BEDRIJF en bewerking TE VERWIJDEREN. Vervolgens wordt een nieuwe, zwaardere LS-kabel aangelegd die de twee oude kabeldelen vervangt, met status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN, bewerking IG NEMEN). Deze kabel wordt vanuit één zijde gevoed en krijgt het verbindingsnummer van de oorspronkelijke kabel die aan hetzelfde station was gekoppeld (CND1400-00).

Aan het uiteinde van de nieuwe kabel wordt een eindmof geplaatst met status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN en bewerking IG NEMEN.

Aandachtspunten
Bij deze wijziging is het van belang dat het juiste verbindingsnummer wordt behouden, zodat de relatie met het oorspronkelijke net logisch en consistent blijft. Daarnaast moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de te verwijderen bestaande kabeldelen en de nieuw aangelegde kabel, zowel in de tekening als in de attribuutinformatie.

Uit05.png

Figuur 5: Vervanging van gesplitste LS-kabeldelen door één nieuwe kabel met hogere capaciteit.

 

Use case 4: Reconstructie kruising naar rotonde

Situatie

In deze situatie wordt een bestaande laagspanningskabel (LS) verlegd als gevolg van een reconstructie van een kruising naar een rotonde. De kabel blijft functioneel behouden, maar wordt deels verplaatst. De situatie vóór, tijdens en na uitvoering is schematisch weergegeven in Figuur 6. De startsituatie bestaat uit een bestaande LS-kabel die een kruising passeert.

Uitwerking in het model
De bestaande LS-kabel wordt gekopieerd met behoud van GISID en AssetID. De gekopieerde objecten krijgen status REVISIE, terwijl de originele kabel de status BESTAAND behoudt.

Vervolgens worden hulplijnen en pijlen toegevoegd om de oude ligging en de richting van de verplaatsing inzichtelijk te maken. Het te verplaatsen deel van de gekopieerde kabel wordt aangepast naar de nieuwe ligging.

Over de verplaatste delen worden aanvullende lijnen geplaatst met OBJECT Averplaatsing, met lijnstijl VERPLAATSEN VAN respectievelijk VERPLAATSEN NAAR.

Tussen de aangepaste kabeldelen wordt een nieuw stuk LS-kabel toegevoegd, voorzien van een verbindingsmof aan beide zijden, met status  NIEUW, bedrijfstoestand  GEEN, bewerking  IG NEMEN. Alle nieuwe objecten krijgen verbindingsnummer CND1400-00.

Aandachtspunten
Bij deze werkwijze is het van belang dat de relatie tussen de oorspronkelijke en verplaatste kabel behouden blijft door gebruik van dezelfde GISID en AssetID. Daarnaast moet de verplaatsing zowel visueel (via hulplijnen en pijlen) als administratief (via objecttype Averplaatsing) eenduidig worden vastgelegd.

Uit06.png

Figuur 6: Verlegging van een LS-kabel bij reconstructie van een kruising naar een rotonde, inclusief toepassing van hulplijnen en verplaatsingsobjecten.

 

Use case 6: inlussen MS station

Situatie

In deze situatie wordt een nieuw middenspanningsstation (MS) ingevoegd in een bestaande kabelverbinding tussen twee stations. Hierdoor ontstaat een nieuwe netstructuur met een extra verdeelpunt. De situatie vóór, tijdens en na uitvoering is schematisch weergegeven in Figuur 7. De startsituatie bestaat uit twee bestaande MS-stations die met elkaar verbonden zijn via één MS-kabel.

Uitwerking in het model
In de ontwerptekening wordt een nieuw MS-station toegevoegd tussen de twee bestaande stations, met status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN, bewerking IG NEMEN.

De bestaande kabel wordt geknipt, waarbij beide resulterende kabeldelen de status REVISIE krijgen. Het rechter kabeldeel krijgt een nieuw verbindingsnummer (M3b), terwijl het linker deel het oorspronkelijke verbindingsnummer behoudt (M3a).

Vervolgens worden twee nieuwe MS-kabels toegevoegd die de verbinding vormen tussen het nieuwe station en de bestaande kabeldelen, met status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN, bewerking IG NEMEN.

De overgang tussen oude en nieuwe kabeldelen wordt gerealiseerd met verbindingsmoffen, met status NIEUW, bedrijfstoestand GEEN, bewerking IG NEMEN.

Aandachtspunten
Bij het inlussen van een station is het essentieel dat de nieuwe netstructuur logisch wordt opgebouwd en dat verbindingsnummers correct worden toegekend. Daarnaast moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen bestaande, gewijzigde en nieuwe kabeldelen, zodat de situatie eenduidig kan worden verwerkt in de assetregistratie.

Uit07.png

Figuur 7: Inlussen van een MS-station in een bestaande kabelverbinding, waarbij de oorspronkelijke kabel wordt gesplitst en nieuwe verbindingen worden toegevoegd.

 

Uitwerking in tekeningen

In de volgende figuren (8, 9, 10, 11) wordt de uitwerking van het inlussen van een MS-station stap voor stap weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de bestaande situatie, de ontwerptekening en de revisietekening. Per stap wordt zichtbaar gemaakt hoe status, bedrijfstoestand en bewerking worden toegepast op de verschillende objecten.

 

Tekening bestaande situatie

In de tekening van de bestaande situatie (zie Figuur 8) hebben alle objecten de status BESTAAND. Het attribuut BEWERKING is hierbij nog niet ingevuld, dit wordt pas toegepast in de ontwerptekening.

De GISID en AssetID worden overgenomen uit het bronsysteem van de netbeheerder, zodat bestaande objecten bij de revisieverwerking weer kunnen worden herkend en bijgewerkt. Het attribuut ID wordt toegekend door de netbeheerder en is binnen de tekening uniek per object.

Uit08.png

Figuur 8: Bestaande situatie met twee MS-stations en een verbindende MS-kabel, waarbij alle objecten als bestaand zijn geregistreerd.

 

Ontwerptekening

In de ontwerptekening (zie Figuur 9) geldt status NIEUW voor nieuwe objecten. Het attribuut bewerking wordt ingevuld voor assets die een mutatie ondergaan. Het attribuut ID wordt toegekend door de aannemer. GISID en AssetID zijn alleen van toepassing op bestaande objecten.

Uit09.png

Figuur 9: Ontwerptekening met onderscheid tussen nieuwe objecten en bestaande objecten met mutaties, inclusief toepassing van bewerking en identificerende attributen.

 

Revisietekening (kabel verwijderd)

In de revisietekening (zie Figuur 10) geldt status NIEUW voor nieuwe objecten, status REVISIE voor gewijzigde objecten en status VERWIJDERD voor objecten die zijn verwijderd. Het attribuut bewerking wordt hierbij niet aangepast.

Uit10.png

Figuur 10: Revisietekening waarin onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwe, gewijzigde en verwijderde objecten na uitvoering van de werkzaamheden.

 

Revisietekening (kabel verlaten)

In de revisietekening (zie Figuur 11) geldt status NIEUW voor nieuwe objecten en status REVISIE voor gewijzigde objecten. Het attribuut bewerking wordt hierbij niet aangepast. De verlaten kabel wordt losgekoppeld van de bijbehorende moffen, zodat de gewijzigde netstructuur correct wordt vastgelegd.

Uit11.png

Figuur 11: Revisietekening waarin een kabel wordt verlaten en losgekoppeld van de bijbehorende moffen.