Uitgangspunten
Uitgangspunten informatiemodel Elektra en Gas
Het informatiemodel bevat uitsluitend objecten die buiten zichtbaar, aanraakbaar of meetbaar zijn. De attribuutinformatie die door de aannemer moet worden ingevuld, is daarom beperkt tot eigenschappen die in het veld kunnen worden waargenomen, afgelezen of ingescand.
Aanvullend zijn attributen opgenomen die reeds door de netbeheerder worden gevuld en ter informatie zijn voor de aannemer, bij voorkeur als read-only. Voorbeelden hiervan zijn eigenaar, beheerder en artikelcode.
Waar mogelijk is hergebruik gemaakt van attributen en keuzelijsten uit IMKL. In situaties waar dit niet mogelijk was, is gekozen voor een zo eenvoudig en leesbaar mogelijke modellering. Attribuutnamen en omschrijvingen in keuzelijsten zijn daarbij zo zelf verklarend mogelijk opgesteld en sluiten aan bij de terminologie die binnen de sector wordt gehanteerd.
Een deel van de attributen komt zowel als attribuut voor als onderdeel van de laagbenaming. Dit is gedocumenteerd in het model (NLCS subgroep), waarbij de gebruikte tools consistentie moet borgen.
De styling en symboliek zijn vastgelegd in de NLCS template-tekeningen en zijn conform PMKL, waar nodig aangevuld of aangescherpt.
Inmeetwijze en nauwkeurigheid zijn uitsluitend opgenomen bij kabels, leidingen en vergelijkbare objecten, en niet bij appendages. Dit voorkomt dubbel werk en inconsistenties in de registratie.
De lijngeometrie dient uitsluitend te bestaan uit lijnstukken (dus geen arcs of gestrookte bogen) en bevat een beperkt aantal tussenpunten. Waar nodig kan hierop gecontroleerd worden.
Uitgangspunten in de modellering
Wanneer een keuzelijst verschillende inhoud heeft per discipline, wordt per discipline een aparte keuzelijst toegepast. Op deze manier krijgt de aannemer uitsluitend relevante keuzes aangeboden. De naamgeving volgt hierbij de structuur <Attribuutnaam><discipline>, zoals bijvoorbeeld SubnettypeGas.
Waar zinvol bevatten keuzelijsten de optie “Keuze ontbreekt in lijst”. Wanneer deze wordt geselecteerd, leidt dit bij verwerking van de as-built gegevens tot uitval, zodat de keuzelijst kan worden uitgebreid. Hiermee wordt voorkomen dat aannemers in verleiding komen om een verkeerd type te kiezen, die voor de beheerder niet zichtbaar is.
Keuzelijsten mogen geen gebruik maken van de tekens <, > en &. Deze worden vervangen door respectievelijk ≤, ≥ en “en”.
De schrijfwijze van elektrakabels volgt een vaste notatie, zoals 4x95Al of 4x2.5Cu, zonder gebruik van koppeltekens. Dit is van belang vanwege het gebruik in de NLCS-laagnaam. De kabelopbouw (bijvoorbeeld “V-VMvKhsas”) is niet opgenomen in de laagnaam.
Keuzelijsten zijn gebaseerd op materialen en typen die momenteel nieuw worden toegepast. Oude of incourante materialen worden niet opgenomen om onnodig lange keuzelijsten te voorkomen. In dergelijke gevallen wordt “Overig” toegepast in de laagnaam, aangevuld met een tekstattribuut Omschrijving_uitvoering waarin oude materialen kunnen worden vermeld. Daarnaast bevat elk object een attribuut Toelichting, waarin afwijkingen of bijzonderheden kunnen worden vastgelegd.
Uitgangspunten attribuutdata
Hieronder volgen de attributen waar geldt dat deze identiek worden toegepast over verschillende assets heen.
Het attribuut Status sluit aan op het NLCS-statusmodel (NIEUW, TIJDELIJK, BESTAAND, VERVALLEN, REVISIE). Het attribuut Bedrijfstoestand geeft bedrijfstoestand weer van de asset (IN BEDRIJF, RESERVE, VERLATEN).
Het attribuut Bewerking beschrijft welke bewerking in het project op de asset wordt/is uitgevoerd. De attributen Eigenaar en Beheerder respectievelijk aangeven wie eigenaar is van de asset en wie deze beheert.
Met Subnettype wordt onderscheid gemaakt tussen bijvoorbeeld aansluitnet en hoofdnet (en voor laagspanning ook openbare verlichting). Netvlak maakt onderscheid tussen bijvoorbeeld het spanningsniveau (LS, MS en HS).
Daarnaast beschrijft Fabrikant de producent van de asset (en niet de partij die deze heeft aangelegd). De attributen Inmeetwijze en Nauwkeurigheid geven inzicht in de inmeetwijze die wordt gebruikt om de ligging te bepalen (GPS, meetband) en de maximale afwijking tussen de werkelijke en geregistreerde ligging.
Voor identificatie worden zowel een GIS_ID (unieke identifier vanuit Bron GIS systeem, meestal een integer) als een AssetID (een systeemonafhankelijke unieke identifier, meestal een GUID) gebruikt. Tot slot kan het attribuut Toelichting worden gebruikt om materialen/types te benoemen die niet in de keuzelijsten voorkomen (in combinatie met "Keuze ontbreekt in lijst").