Ondersteuning 3D
Diepte versus absolute Z-coördinaten
Binnen het informatiemodel wordt gewerkt met 3D-coördinaten, waarbij de Z-coördinaat die in het veld met GPS wordt ingemeten behouden blijft. Deze Z-coördinaat is absoluut en wordt vastgelegd ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil), en dus niet ten opzichte van het maaiveld.
Om inzicht te krijgen in de relatieve diepteligging ten opzichte van het maaiveld, worden aanvullende puntobjecten van het type Amaaiveldhoogte ingemeten (zie onderstaande afbeelding).
Het model dwingt een volledig 3D-registratie niet af. Ook de huidige werkwijze, waarbij Z-coördinaten beperkt of niet beschikbaar zijn, wordt ondersteund.
Coördinaten van assets
De coördinaten van assets worden vastgelegd in een gestandaardiseerd referentiesysteem. De Z-coördinaat wordt uitgedrukt ten opzichte van NAP. De X- en Y-coördinaten worden vastgelegd in het Nederlandse Rijksdriehoeksstelsel (RD New).
Binnen het model wordt gebruikgemaakt van EPSG:7415, een samengesteld coördinatenstelsel dat bestaat uit:
een horizontale component (EPSG:28992 - RD New)
een verticale component (EPSG:5709 - NAP)
Z-coördinaten in de overgangsfase
Binnen de huidige situatie werken netbeheerders zoals Enexis, Stedin en Liander met systemen (Smallworld GIS) waarin Z-coördinaten nog niet volledig ondersteund worden. Hoewel in het veld al wel Z-coördinaten via GPS worden ingemeten, kunnen deze nog niet altijd volledig worden opgeslagen in de bestaande GIS-systemen.
Voor bestaande infrastructuur wordt de huidige Z-waarde door de netbeheerder meegeleverd. In veel gevallen zal deze waarde 0 zijn, wat betekent dat de werkelijke hoogte niet bekend is. Op locaties waar nieuwe infrastructuur wordt gekoppeld aan bestaande objecten, zal minimaal één punt (vertex) van het bestaande object een werkelijke Z-coördinaat krijgen op basis van metingen in het veld. Overige punten behouden vaak hun oorspronkelijke Z-waarde.
Voor verwijderde infrastructuur blijft de bestaande Z-coördinaat behouden, aangezien deze geen functionele rol meer speelt. Voor nieuwe infrastructuur wordt de Z-coördinaat in de revisietekening vastgelegd op basis van GPS-metingen. Indien directe meting niet mogelijk is, wordt de Z-waarde afgeleid van nabijgelegen objecten die wel gemeten zijn, om grote afwijkingen in diepteligging te voorkomen.
Kunstwerk, aanlegtechniek en mantelbuis
Binnen het model wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende typen objecten die relevant zijn voor aanleg en constructie. Het object Akunstwerk wordt gebruikt voor fysieke constructies die in het veld zichtbaar zijn, zoals zinkers of brugleidingen.
Het object Aaanlegtechniek wordt gebruikt voor het vastleggen van toegepaste aanlegmethoden die zelf geen fysiek asset vormen, zoals een gestuurde boring. Wanneer een gestuurde boring wordt toegepast voor de aanleg van een mantelbuis, worden zowel een Aaanlegtechniek als een Amantelbuis getekend.
De in- en uittredepunten van een gestuurde boring worden geregistreerd met het object AinUittredepunt. Het attribuut Richting maakt hierbij onderscheid tussen het in- en uittredepunt. De koppeling tussen deze punten en de bijbehorende aanlegtechniek of het kunstwerk wordt gelegd via Kunstwerknummer. Deze identificatie wordt toegekend bij het opstellen van de ontwerptekening.
Het object Aaanlegtechniek beschikt over een 3D-lijngeometrie en kan daarmee ook diepte-informatie vastleggen. Indien deze informatie niet direct beschikbaar is, kan een AbestandBijlage worden toegevoegd waarin bijvoorbeeld een diepteprofiel wordt opgenomen.