Begrippen en Termen

Begrippen en Termen

A

  • Activity Logs – Logregistratie van systeemgebeurtenissen en API-aanroepen binnen Azure.

  • AES-256 – Geavanceerd encryptie-algoritme voor het versleutelen van data.

  • AI Search – Zoektechnologie op basis van machine learning voor geavanceerde zoekopdrachten.

  • AMQP (Advanced Message Queuing Protocol) – Protocol voor event-gedreven berichtenverkeer.

  • API (Application Programming Interface) – Een set regels waarmee applicaties met elkaar communiceren.

  • API Gateway – Een proxy die API-verzoeken beheert, beveiligd en doorstuurt.

  • Application Insights – Azure-tool voor het monitoren van applicatieprestaties en fouten.

  • Azure AD (Active Directory) – Zie Entra ID.

  • Azure Backup – Cloudgebaseerde oplossing voor het veilig opslaan van back-ups.

  • Azure DevOps – Platform voor CI/CD, versiebeheer en DevOps-processen.

  • Azure Firewall – Netwerkfirewallservice voor het beveiligen van binnenkomend en uitgaand verkeer.

  • Azure Key Vault – Cloudservice voor het veilig beheren van secrets, certificaten en sleutels.

  • Azure Monitor – Platform voor het verzamelen en analyseren van logs en metrische gegevens.

C

  • CI/CD (Continuous Integration/Continuous Deployment) – Automatische softwareontwikkeling en uitrol.

  • CMK (Customer Managed Keys) – Door klanten beheerde encryptiesleutels in Azure.

  • Conditional Access – Beleid voor toegang tot resources op basis van risicoprofielen.

  • Cosmos DB – Globaal gedistribueerde NoSQL-database met hoge beschikbaarheid.

  • Cross-domain Identity Management (SCIM) – Standaard voor het beheren van identiteiten over meerdere domeinen.

D

  • Data at Rest – Gegevens die in opslag zijn en niet actief worden verwerkt.

  • Data in Transit – Gegevens die via een netwerk worden verzonden.

  • Dead-Letter Queue (DLQ) – Opslagplaats voor berichten die niet correct verwerkt kunnen worden.

  • Defender for Cloud – Microsoft-oplossing voor beveiligingsmonitoring en compliance.

  • DevOps – Softwareontwikkelingsproces waarbij ontwikkeling en IT-beheer geïntegreerd zijn.

  • Disaster Recovery (DR) – Strategie voor het herstellen van systemen na een storing.

  • DDoS Protection – Beveiligingsmaatregel tegen Distributed Denial of Service (DDoS)-aanvallen.

E

  • Entra ID (Azure AD) – Microsofts identiteits- en toegangsbeheeroplossing voor authenticatie.

  • Encryption at Rest – Versleuteling van gegevens in opslag.

  • Encryption in Transit – Versleuteling van gegevens tijdens netwerkverkeer.

  • Event Hub – Azure-dienst voor real-time event-streaming en verwerking.

  • Event-driven Architectuur – Softwarearchitectuur waarin gebeurtenissen acties in gang zetten.

F

  • Federatieve authenticatie – Authenticatie waarbij meerdere identiteitsproviders betrokken zijn.

  • Firewall – Systeem dat netwerkverkeer filtert en beveiligt tegen ongeautoriseerde toegang.

  • Function-level Authentication – Authenticatie per functie binnen een applicatie.

I

  • IaaS (Infrastructure-as-a-Service) – Cloudcomputingmodel waarbij infrastructuur zoals servers, opslag en netwerken op aanvraag wordt geleverd en beheerd via een cloudprovider.

  • Immutable Storage – Opslag waarin gegevens niet kunnen worden gewijzigd of verwijderd.

  • Infrastructure as Code (IaC) – Automatiseren van infrastructuurbeheer met code.

  • ISO 27001 – Internationale standaard voor informatiebeveiliging en risicomanagement.

J

  • Just-In-Time (JIT) toegang – Tijdelijke en geautoriseerde toegang tot gevoelige systemen.

K

  • Key Vault – Zie Azure Key Vault.

L

  • Least Privilege Principle – Beveiligingsconcept waarbij gebruikers minimale toegangsrechten krijgen.

  • Logging – Het vastleggen en bewaren van systeemgebeurtenissen en activiteiten.

M

  • Managed Identities – Identiteitsservice die applicaties authenticatie biedt zonder credentials.

  • mTLS (Mutual TLS) – Verificatiemethode waarbij zowel client als server elkaar identificeren.

  • Multi-Factor Authentication (MFA) – Extra beveiligingslaag naast een wachtwoord.

  • Microsoft Sentinel – SIEM-oplossing voor dreigingsdetectie en beveiligingsmonitoring.

N

  • NCSC (Nationaal Cyber Security Centrum) – Nederlands orgaan voor cybersecurityrichtlijnen.

  • Network Security Groups (NSG’s) – Azure-beveiligingsregels voor netwerkverkeerbeheer.

  • NIST 800-63 – Amerikaanse standaard voor identiteitsverificatie en authenticatie.

O

  • OAuth 2.0 – Protocol voor veilige API-authenticatie en autorisatie.

  • OpenID Connect (OIDC) – Authenticatiestandaard op basis van OAuth 2.0.

  • OWASP – Organisatie die richtlijnen geeft voor webapplicatiebeveiliging.

P

  • PaaS (Platform-as-a-Service) – Cloudomgeving voor applicatieontwikkeling en -beheer.

  • Private Endpoint – Netwerkfunctionaliteit waarmee Azure-resources via een privénetwerk worden benaderd.

  • Privileged Identity Management (PIM) – Beheer van tijdelijke en beperkte admin-rechten.

R

  • RBAC (Role-Based Access Control) – Beheer van gebruikersrechten op basis van rollen.

  • Recovery Point Objective (RPO) – Maximale hoeveelheid data die verloren mag gaan bij een storing.

  • Recovery Time Objective (RTO) – Maximale hersteltijd na een storing.

  • REST API – Architectuurstijl voor API’s gebaseerd op HTTP-verzoeken.

  • Retention Policy – Beleid voor de bewaartermijn van logs en back-ups.

S

  • SaaS (Software-as-a-Service) – Cloudgebaseerde software die wordt gehost en beheerd door een externe leverancier en toegankelijk is via het internet. Gebruikers hoeven geen infrastructuur te beheren.

  • SIEM (Security Information and Event Management) – Zie Security Information and Event Management.

  • Service Bus – Azure-oplossing voor veilige berichtenuitwisseling tussen applicaties.

  • Single Sign-On (SSO) – Authenticatiemethode waarbij gebruikers zich slechts één keer hoeven aan te melden.

  • Storage Queues – Asynchrone berichtenwachtrijservice in Azure.

T

  • Terraform – Infrastructure-as-Code-tool voor het beheren en uitrollen van infrastructuur.

  • Threat Intelligence – Gegevens en analyses om cyberdreigingen te detecteren en te voorkomen.

  • TLS 1.2/1.3 (Transport Layer Security) – Encryptiestandaard voor veilige netwerkcommunicatie.

V

  • VNET (Virtual Network) – Virtueel netwerk in Azure voor beveiligde communicatie tussen resources.

W

  • Web Application Firewall (WAF) – Beveiligingsoplossing die webapplicaties beschermt tegen aanvallen.